Jaargang 35 nr. 4, april 2020

Jaargang 35 nr. 4, april 2020
We beleven door dit virus en al de maatregelen die nodig zijn om ons beschermen en het virus in te dammen een vreemde 40-dagentijd. Door dit alles kost het mij ook moeite mij te richten op de weg naar Pasen. Toch wil ik voor dit nummer van het Kerkblad stilstaan bij deze periode van het kerkelijke jaar. Waarin wij stilstaan bij Jezus leven, dood en opstanding.

Ik herinner mij de jaarlijkse gesprekken met mijn moeder in deze periode. “We horen in de kerk niet meer dat Jezus voor onze zonden is gestorven” klonk het steevast. Ik ging daartegen in door mijn moeder erop te wijzen dat in de kerk nog steeds wel degelijk gezegd wordt dat Jezus door zijn leven en dood, deelde in het lijden van de wereld.  En dat Hij ons door de dood heen naar Gods liefde heeft getrokken.

We spraken meestal langs elkaar heen. Ik begreep niet waarom mem het zo belangrijk vond, dit te horen. Zij vond mijn uitleg niet voldoende voor haar nood. Achteraf gezien begrijp ik mijn moeder beter.  Deze geloofsuitspraak: “Jezus is gestorven voor onze/mijn zonden” verbond haar met het vertrouwen, dat zij door God aanvaard werd als Zijn kind. Het was voor haar van groot belang om zich dat steeds weer toe te eigenen.

Zelf ben ik als kind opgegroeid met een geloof, waarin het lijden en sterven van Jezus centraal stond. Vooral aangereikt, door de Bijbelclub, waar ik wekelijks graag naar toe ging.
Het evangelie werd daarin enkel uitgelegd als het plan dat God ontworpen heeft om zondige mensen te redden van een eeuwige afzondering van Hem. De Heilige God kan de mens in zijn zondigheid niet in Zijn nabijheid verdragen. Er is een kloof tussen God en de mens.  Wij verdienen de straf van het eeuwige afgezonderd zijn. Maar omdat God liefde is, heeft Hij Zijn eigen zoon, naar de aarde gestuurd om die straf te dragen. Door Zijn kruisdood kan God ons de zonden vergeven en mogen wij in relatie met Hem leven als Zijn kinderen.

Met het ouder worden kon ik niet langer uit de voeten met deze versmalling van het evangelie, een denken wat bekend staat als de “klassieke verzoeningsleer”. Ik kon mij steeds minder vinden in het godsbeeld wat ten grondslag ligt onder deze leer en met de manier waarop met Bijbelteksten wordt omgegaan. Allemaal losse Bijbelteksten, die als stenen worden opgestapeld, bijeengevoegd tot een sluitend, dichtgetimmerde leer.

Omdat ik mij zo ongemakkelijk voelde onder de beklemming, die uitging van deze manier om naar Jezus leven, dood en opstanding te kijken, ben ik Kuitert, Wiersinga en Den Heijer gaan lezen, die hier in de laatste decennia van de vorige eeuw veel over hebben geschreven. Misschien heeft dit zelf een rol gespeeld bij mijn keuze om op latere leeftijd theologie te gaan studeren. Ik verlangde en zocht naar een behapbaar alternatief voor wat ik in mijn jeugd had geleerd.   
Dat heb ik niet gevonden in mijn studie. Al had ik dat zo graag gewild, toch misschien gelukkig maar … Want juist doordat lijden van Jezus, het kruis en Zijn opstanding niet te bevatten zijn, verrijkt het mijn geloofsleven, doordat je er steeds opnieuw mee worstelt.

Natuurlijk heb ik geleerd dat de evangeliën en de brieven, dus feitelijk heel het Nieuwe Testament pogingen zijn om het gebeuren, dat wij in de Stille week en met Pasen gedenken, betekenis te geven. De schrijvers gebruikten daarbij beelden, die aansloten bij de wereld van de gelovige, meestal met een Joodse achtergrond, zoals bij de Joodse offerdienst in de tempel. Er was nog geen sprake van een uitgekristalliseerde theologie. Die is pas eeuwen en eeuwen later ontstaan.

Die eerste beelden die gebruikt werden om Jezus dood en lijden te duiden, vinden we dus terug in de Bijbel. In de Evangeliën, zoals in Johannes het beeld van het Lam Gods dat de zonde van der wereld wegdraagt (Joh 1:29) en de graankorrel, die in de aarde moet vallen en sterven, voordat deze vrucht kan dragen (Joh. 12:24) Of zoals in Marcus, waarin Jezus over zichzelf spreekt als de Mensenzoon, gekomen om te dienen en zijn leven zal geven als een losprijs voor velen (Marcus 10: 45).  Denk maar aan de citaten uit Jesaja in het evangelie van Mattheüs, over het lijden van de knecht van de Heer, verzen die hij op Jezus betrekt.

In al deze beelden lichten verschillende facetten op van het mysterie van Jezus dood en verrijzenis.
Afgelopen weken zijn we onder leiding van ds. Marja de Jager met een aantal gemeenteleden 2 keer samen geweest om te praten over de betekenis van het kruis en opstanding. Aan de hand van het boekje van Rowan Williams “God met ons”. Het zijn waardevolle bijeenkomsten geweest, al is het boekje bepaald geen gemakkelijke kost. Maar bijzonder om hierover in gesprek te zijn.

Marja vroeg als gespreksleider wat het zingen van het lied “Jezus leven van mijn leven, “Jezus dood van mijn dood” (Lied 575: 1) met ons doet. Deze vraag bleef hangen bij mij. Hoewel ik eerst antwoordde dat dit lied weerstand opriep, moet ik toch erkennen dat het lied mij iets essentieels geeft.
In het boekje dat besproken is, verwijst de schrijver steeds naar hymnen en liederen, waarin het geloof en de intense verwondering van de gelovigen in opklinkt. Bijbelse beeldspraak en toespelingen buitelen over elkaar heen en raken het hart, meer dan geloofsleer kan doen.
Zoals het lied, dat vaak op Witte Donderdag wordt gezongen, wat mij zo dierbaar is,
Heer van mijn hart, U bent gekomen.
De nacht door naar uw grote dag,
ik heb in eenvoud aangenomen,
dat ik U daarin volgen mag.

(Lied 569: 4)
Het kruis en de opstanding van onze Heer Jezus Christus, als geloofsleer kunnen we het mysterie kapot redeneren. Al vierend kan het ons vernieuwen tot mensen, die vanuit de relatie met Hem, elkaar op laten ademen.
Mogen wij zo verder op weg naar Pasen gaan, ook in deze ernstige tijd.

Foto: Hemelmens, Annelies Moerings, 1999 Stichting Docete Utrecht
terug