Lezing en uitleg Exodus 7: 8-25 voor zondag 22 maart, Lezing en uitleg Exodus 7: 8-25 voor zondag 22 maart,
Een leven van keuzevrijheid. Een leven waarin de heerser in de eerste plaats dienaar is en zijn volk beschermt. Een leven waarin wetten gelden als regels die het onderlinge menselijke verkeer regelen zónder te onderdrukken.  Welke god kan die vrijheid borgen? We weten inmiddels dat Farao de Hebreeën zwaar onderdrukt. Hij laat ze slavenarbeid verrichten. Maar ook zijn eigen volk, de Egyptenaren, zal hij met straffe hand hebben geregeerd. Dat paste bij zijn status en afkomst. Tegenspraak duldde hij niet en een gelijkwaardige tegenstander die het tegen hem opneemt, kende hij tot dan toe niet. Tot God via Mozes en Aäron op het strijdtoneel verschijnt. Een God die slag na slag levert, net zo lang tot Farao zich gewonnen geeft. Tien slagen worden gestreden. De toenemende escalatie dient uiteindelijk de grootheid van de God te Israël te tonen aan zowel de Hebreeën als de Egyptenaren: ‘om mijn tekenen en wonderen te vermeerderen in het land van Egypte’.

Neem je staf in de hand
In Exodus 4:20 staat dat Mozes op weg ging naar Egypte. De staf van God hield hij in zijn hand.
In hoofdstuk 7: 8-25 horen we weer over de staf. Allereerst moet Aäron zijn staf voor de ogen van Farao op de grond gooien; die zal dan een grote slang worden. Ook de magiërs van Farao hebben allemaal een staf die ze op de grond gooien en een slang wordt. Maar…de staf van Aäron verslond alle andere staven. We kunnen er vanuit gaan dat de staf van Aäron bij alle wondertekens de staf van Mozes is. De staf van God. Het is deze staf die Aäron voor de ogen van Farao boven de Nijl hield, ermee op het water sloeg waarna het water van de Nijlwater veranderde in bloed.
Een staf is in de eerste plaats een gebruiksvoorwerp. We associëren deze gelijk met een herdersstaf. Dit is een staf om op te steunen, ter verdediging, om de wilde dieren mee weg te jagen of om de schapen in het rechte spoor te houden. De staf staat in de Bijbel ook symbool voor autoriteit of gezag. Deze drukt waardigheid uit! We kennen de scepter die geldt als machtssymbool van een vorst, keizer of godheid. In het Oude Egypte werd deze als symbool van macht aan Farao overhandigd bij zijn intrede als vorst. De staf van God, in de hand van Mozes, is het meest zichtbare teken dat hij spreekt en handelt met goddelijk gezag. Het gaat in deze strijd dan ook om het uiteindelijke gezag:
Van God of van Farao.

Een staf om mee te slaan
Hoe gebruiken God en Farao hun staf? Met andere woorden hoe geven ze uitdrukking aan hun waardigheid! Voor Farao is zijn staf een statussymbool. Deze verschaft hem de autoriteit om er mee te doen wat hij wil. Als hoogste vorst met goddelijke statuur kan hij er wild mee om zich heen slaan.  En dat doet hij ook. De Hebreeën worden hard geslagen. Letterlijk met stok en zweep bij al hun slavenarbeid. Maar ook figuurlijk. Farao wil ze murw slaan, monddood slaan, kapot slaan. Dat is geen leven meer. Als eerste teken moet Aäron zijn staf voor Farao op de grond gooien. Die wordt een slang. Maar eigenlijk staat er dat deze een draak of monster wordt. Het gaat hier niet om tovertruc. Hier tekent zich de strijd af met een oermonster, het beest uit de afgrond waarvan psalm 104 zingt: Daar is de Leviathan die Gij geformeerd hebt om mee te spelen’. Het is de macht van het kwaad, samengebald in Farao, die tegenover Gods macht staat.
God weerstaat deze macht met zijn staf. Met zijn waardigheid die hij zo heel anders inzet dan Farao. Heel Gods handelen is erop gericht het kwaad op te ruimen. Middels tien slagen. Ook God gebruikt zijn staf om mee te slaan. Om zo zijn overmacht te tonen. Een overmacht die gericht is op vrijheid. Op het in vrijheid stellen van zijn volk, op het in vrijheid stellen van de mensheid. Een mensheid die weet heeft van het doen van recht en gerechtigheid. God betaalt Farao met gelijke munt terug. Om uiteindelijk de draak te steken met de macht van het kwaad.

‘Uw stok en uw staf die vertroosten mij’
Daarin verschilt God van Farao dat Zijn stok niet alleen een staf is om mee terug te slaan. Farao wist niet anders dan er harde klappen mee uit te delen, de staf van de God van Israël diende allereerst om op te leunen en om te vertroosten. Psalm 23 dicht:
 Al gaat mijn weg door een donker dal,
ik vrees geen gevaar
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
Gods staf, dicht psalm 23 is een stok om op te leunen en om op te steunen. Gods staf wil een teken zijn dat Hij erbij is! Het geeft een veilig gevoel, te weten dat God altijd wel een weg wijst om te gaan. zelfs uit de diepste duisternis. Hierin verschilt God van Farao: Farao’s hart verhardt zich, slag na slag. Gods hart wordt week bij het zien van menselijk gebrek en menselijke nood. ‘Weid uw volk met uw staf, uw geliefde kudde die eenzaam leeft’, dicht Micha in 7:14. Zó zal Israël zijn God – dwars door alle slagen heen – uiteindelijk leren kennen: als een God die als een herder hen voorgaat naar het land van de belofte!
 
terug