Overdenking bij Exodus 9: 13-35 De zevende plaag – hagel (zondag 29 maart) Overdenking bij Exodus 9: 13-35 De zevende plaag – hagel (zondag 29 maart)
En ik… hield mijn hart vast.
Ik kan mij dan ook heel wat voorstellen bij deze zevende slag die God de Egyptenaren toebracht. En ik stel mij de ontreddering van mens en dier voor toen de Heer het liet donderen en hagelen. Niet een beetje. Er staat: ‘zo’n zware hagelbui, waarbij onophoudelijk de bliksem flitste, was er in  Egypte nooit eerder gevallen, zolang het volk bestond’. Op alles wat buiten was, op mensen, dieren en planten; zelfs de bomen werden vernield. In chaos bleef het land achter en in rouw om degenen die door de bliksem en hagel dodelijk getroffen waren.
Was dit nu een straf van God? Om de Egyptenaren een lesje te leren? Zo van: ‘wie niet horen wil, moet maar voelen!’ Wanneer we goed lezen, horen we telkens weer dat God Farao via Mozes laat weten: ‘ik zal u treffen met een plaag zodat u en uw hele volk beseffen zult dat er op de hele aarde niemand is als ik’. God gaat de strijd aan met Farao en diens goden. En dat waren er nogal wat. Zo was er een god van de vruchtbaarheid en van de liefde. Een god van de hemel en van de aarde. Een god van de oorlog en een god van de vrede. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Tegelijkertijd waren dit goden waar een mens volkomen afhankelijk van was. Omdat deze goden de mens, wanneer het hen uitkwam, goed of slecht gezind waren. Maar zijn ze ook bij machte, zo is de vraag, om een serieuze tegenspeler van God te zijn? Kunnen zij met hun kwantitatieve overmacht, want ze waren met héél veel, de slagen afwenden?  Ze staan dan wel voor welvaart, voor vruchtbaarheid en macht maar als het erop aan komt, staan ze met lege handen. Is God ze de baas. Want deze God is anders. Dit is een God die het geschrei van de Hebreeën, van de slachtoffers van Egyptes brute overheersing, hoort en voor hen een bevrijdende kracht wil zijn. De tien slagen zijn geen straf, maar dienen om uit te maken welke (g)God de macht heeft over de krachten van de natuur en welk (g)God de verdediger is van de rechten van de mens en daar garant voor staat.   
Wat mij opviel bij deze zevende plaag, is dat er een keuzemogelijkheid is. Er wordt van tevoren een code-rood afgegeven. Een waarschuwing: ‘Laat uw vee en alles wat er verder nog buiten is in veiligheid brengen, want alles wat buiten blijft, mens of dier, wordt door de hagel getroffen en komt om.’ En dan staat er: ‘Sommige hovelingen van de farao namen de woorden van de Heer ernstig en brachten hun slaven en vee binnen in veiligheid. Anderen sloegen er geen acht op en lieten hun slaven en vee buiten’. Het gaat hier niet allereerst om een catastrofe, maar om een ‘bekering’, om het vertrouwen in de Israëls God. De goden van de Egyptenaren lieten hun onderdanen willoos over aan het (nood)lot of aan de grillen van de natuur. De God van Israël stelt mensen voor een keuze. En geeft ze daarmee medeverantwoordelijkheid. En nu is het opvallend dat dat er Egyptenaren waren die de code-rood serieus namen en hun vertrouwen stelden op lsraëls God. Zij werden, net als de Hebreeën gespaard. Al de anderen werden hard door de hagel getroffen.
De afgelopen dagen is mij meermaals gevraagd of het coronavirus wat de wereld zo hard treft een straf van God is. Met een verwijzing naar onder andere de tien plagen. Of met de woorden: ‘God straft direct’. Ik heb moeite met het woord ‘straf’ in deze context. Want waarvóór zou God ons met het coronavirus dan zo hard willen straffen? Wat hebben we als mensheid fout gedaan? Want dit virus treft ieder mens: jong en oud, arm en rijk, van welke ras of afkomst je ook bent. En dan nog een vraag: als dit een straf van God is, ben je dan schuldiger of zondiger als je ernstig ziek wordt van het virus of eraan sterft? Met andere woorden hanteert God een gradatie in straf? En als je niet ziek ervan wordt, ben je dan een beter mens dan wie er wel ziek van wordt? U merkt het al, met ‘straf’ komen we er niet uit. Want straf confronteert ons met een God die, net als de goden van de Egyptenaren, willekeurig te werk gaat. En die ons overlevert aan het lot.
Het coronavirus is een speling van de natuur. En omdat we met grote groepen mensen leven in een beperkte ruimte kan deze zich snel vermeerderen. Tel daarbij op het vele reizen en onderlinge verkeer en het laat zich raden waarom het virus zich zo razendsnel verspreiden kan. Niet voor het eerst in de geschiedenis kennen we een uitbraak van een virusziekte. Zo was er de pest in de middeleeuwen en de Spaanse griep aan het begin van de twintigste eeuw en heel recentelijk het ebolavirus. Dit coronavirus ontregelt ons leven enorm en treft heel de wereldbevolking. Niet als straf van God. Ziekten zijn inherent aan het menselijk bestaan. Ik geloof wel in een God die ons wil helpen om goede keuzes te maken en om ons verantwoordelijk te gedragen ten opzichte van elkaar. In een God die onze gebeden om sterkte en kracht verhoord. In een God die alle pogingen om een antivirus te ontwikkelen zegent en die ons mensen inspireert en sterkt om een mens voor een mens te zijn. Een God die boven alle (af)goden verheven is en daarom een God van mensen is.

 
terug