Jaargang 41 nr 6, juni 2026

Jaargang 41 nr 6, juni 2026
Zijn orgelspel was een groter succes dan zijn eieren, want toen de huishoudster, waar hij te eten was gevraagd, bezig was ze te koken, kwam er een zeer onwelriekende geur uit de pan. Ze bleken allemaal bebroed.
Aan ambitie ontbrak het de jonge organist zeker niet. Arnstadt was voor hem dan ook niet het einde. De plaats, die hij het meest begeerde, was de plaats van organist in de Oude Kerk van Amsterdam en dat te meer omdat het de post was geweest van de door hem boven alles vereerde Jan Pieterszoon Sweelinck, voor de Duitse organisten in de 18e eeuw een belangrijk voorbeeld. Maar waarschijnlijk was Amsterdam voor de jonge Bach nog iets te hoog gegrepen. Misschien was er een prima tussenstation : Groningen !


Had de belangrijke orgelbouwer Arp Schnitger daar enkele jaren terug niet zijn Magnum Opus gebouwd in de Onze Lieve Vrouwekerk ter Aa ? Bach nam het besluit zijn kansen te wagen. Te voet was te ver en daarom koos hij voor de postkoets. Van de reis, die zeker boeiend zal zijn geweest, is niets bekend. Behalve dan het laatste deel. Vanuit Emden nam Bach de boot voor een oversteek over de Eems, richting de Farmsumer Haven. Groot was Bachs verbazing toen ze de haven naderden. Voor hem doemden een enorm grote romano-gotische kerk op en een eveneens groot   “kasteel”. Daar moest hij meer van weten en daarom sprak hij schipper Toxopeus aan met vraag of hij er iets over kon vertellen. Dat was een kolfje naar des schippers hand. Het “kasteel”, zo vertelde de schipper, noemde men in Groningen een borg, in dit geval de Ripperdaborg. Daar woonde de adellijke familie Ripperda, De grote kerk, die Bach in het vizier had gekregen, was de kerk, die hij iedere week bezocht.
En de vraag of de schipper iets wist te vertellen over het orgel bleef ook niet onbeantwoord. Het was een heel bijzonder orgel met 17 stemmen en 6 stomme registers, waaronder pauken en een nachtegaal. Boven op het orgel stond een grote adelaar, waarvan, als de predikant tijdens de preek even niet op de zandloper had gelet en de preek te lang duurde, de organist met een voetbeweging de vleugels kon laten klapperen. De handen van Bach jeukten, maar Groningen lokte. De laatste etappe ging met de treksnikke over het kronkelende Damsterdiep. Bach sprong bij het Damster Veerhuis aan land, over de Nieuwe Weg, dwars door het Schutenschuverskwartier en de Poelepoort bereikte hij de oude binnenstad van Groningen. Hij moest op zoek naar de voorzitter van de kerkenraad. Het onderhoud met deze hoogwaardige persoon leverde niet meteen resultaat op en Bach werd verzocht op de eerstvolgende vergadering van de kerkenraad aanwezig te zijn om zijn verzoek aan de raad voor te leggen.


Ook dat ging niet van een leien dakje. In de notulen van de vergadering valt te lezen :

“Seln wie hom doar wel bie loatn, zo’n vrumde strosnieder. Met ain krom tougriepm kenne haile boudel wel verrinnewairn. Tisn Snitger ! Het stad achttiendoezend doalder en vief stuver kost “.

Dat klonk niet best. Totdat ….

“Hai het doar zonne lange raize veur moakt. Dat mut ja slim begrootlek veur hom weezn. Ik docht wie mosn hom een kaans gunn’n. Moar bie het minst gekroak, vot mit dei keerl. Wie hebt ja ons Fokkemoa. Dei speult ja meroakel “

Besloten werd dat Bach de eerstvolgende zondag tijdens de ochtenddienst het orgel mocht bespelen, als Fokkema het er mee eens was. Bij de eerste tonen was Fokkema al gerust. Hij voelde, dit was van een buitengewoon kaliber. Nooit had hij in z’n lange leven iemand zo horen spelen. Hij werd gegrepen door ontzag. En Bach ? Hij kon er maar niet genoeg van krijgen. Wat een voortreffelijk orgel was dit. Toen hij tenslotte alle registers opentrok en de kerk stortte in een orkaan van geluid, denderden de eerste brokstukken van de toren de kerk al in. Bach kon zich het vege lijf ter nauwer nood redden en wist niet hoe snel hij het hazenpad moest kiezen.
Laten we het “Beknopt Kronykje van Groningen ende Ommelanden” raadplegen :

Op den 12e april van het jaar 1710 is te Groningen by zagt en klaar weer de der Aa Tooren ingestort, ruinerende de daarinhangende schone klokken, het Uurwerk, benevens het deftige nieuwe Orgel in de Kerk en alles wat van ’t Muurwerk en anders tot enig cieraad of sterkte had gediend”.


Mijn kennismaking met de Farmsumer Kerk verliep minder dramatisch. De directeur van de Technische school aan de Rijksweg zocht een leerkracht en omdat hij, vanuit zijn vorige standplaats, mij kende werd ik uitgenodigd voor een gesprek. De tocht vanuit Winschoten – mit GADO vanzulf – was een ommelandse reis. Ik kwam door plaatsen, waar ik nog nooit was geweest en zelfs niet het vermoeden had dat ze bestonden, Nieuw-Scheemda, ’t Waar, Nieuwolda, Wagenborgen en de laatste halte was in de Koestraat te Farmsum. De bus stopte tegenover een bijzonder fraaie, grote kerk. Ik was zeer onder de indruk en nam me voor er te zijner tijd meer over te willen weten. Het gesprek met de directeur verliep goed. Hij vertelde, dat hij nog steeds onder de indruk was van het feit, dat ik tijdens mijn stage de jongens van de Technische school had weten te interesseren voor de Matthäus - Passion.  Hoewel ik nog in “des konings wapenrok” liep werd ik aangenomen. Het liep tegen Kerst en de viering zou dat jaar worden gehouden in de Farmsumer Kerk. Omdat ik in de school ook verantwoordelijk was voor de lessen muzikale vorming vond de directeur het een goed idee als ik tijdens de Kerstviering het orgel zou bespelen. Daarvoor moest hij natuurlijk toestemming vragen bij de heren van de Kerkvoogdij. Die toestemming werd niet zomaar gegeven, daar moesten de hoogmogende heren kerkvoogden een vergadering voor beleggen.


In het notulen van de vergadering valt te lezen :

“Seln wie hem d’r wel bie loatn, zo’n veenkolonioal köstertje. Mit ain krom tougriepm kenne de haile boudel wel verrinnewaiern. Tisn Lohman. Het kerk ’n bult centen kost. En wie hebt ja ons Okke. Dei speult ook ja meroakel”.

Het besluit van de heren Kerkvoogden viel niet gunstig uit. “Nee”, was het antwoord.
Het moet gezegd, Okke speelde tijdens die Kerstviering de sterren van de hemel.
Nooit heb ik na die viering het Loman-orgel in de Farmsumer Kerk zo fraai horen klinken als toen.
En de heren van de Kerkvoogdij hadden een wijs besluit genomen. Sinds die tijd staat de Farmsumer Toren fier overeind !


Foto: Papavers, eigen foto
 
terug